Wanneer we het over de duurzaamheid van voeding hebben, denken de meeste mensen spontaan aan de broeikasgassen die worden uitgestoten bij de productie, de verwerking, de verpakking en het transport van voeding. Het waterverbruik en de ruimte die ingenomen wordt door landbouw hebben eveneens een invloed op de duurzaamheid van ons voedsel. Ook de manier waarop het veevoeder geproduceerd wordt, heeft een impact op de uiteindelijke duurzaamheid van vleesproducten.

Het is belangrijk om het fundamentele verschil in te zien tussen de uitstoot van methaangas en de uitstoot van CO2. Dat laatste heeft een veel langere levensduur.

Broeikasgassen

De drie voornaamste broeikasgassen die in de land- en tuinbouwsector uitgestoten worden zijn methaangas (CH4), distikstofoxide of lachgas (N2O) en koolstofdioxide (CO2). Methaangas wordt geproduceerd in het spijsverteringsstelsel van herkauwers (zoals bijvoorbeeld runderen, schapen en geiten). Herkauwers kunnen gras omzetten in melk en vlees en gebruiken hiervoor hun verschillende magen. Door het fermenteren van gras in de magen van de koe komt methaangas vrij.

In Vlaanderen wordt bijna 7% van de broeikasgasuitstoot veroorzaakt door methaan. Daarvan is 72% afkomstig uit de rundveehouderij. Het overige methaan komt vrij bij mestopslag, voornamelijk uit de varkenssector. Wereldwijd vertegenwoordigt methaan 51% van het broeikaseffect door landbouwemissies. Cruciaal is echter op te merken dat methaan zich anders gedraagt in de atmosfeer dan koolstofdioxide. Het wordt sneller afgebroken en is op die manier deel van de koolstofcyclus.

header5

Distikstofoxide of lachgas (N2O) komt onder andere vrij uit de bodem bij bemesting. In Vlaanderen wordt 4% van de broeikasgasuitstoot veroorzaakt door lachgas. De landbouw is verantwoordelijk voor 58% van de lachgasuitstoot in Vlaanderen. De bijdrage van lachgas aan het broeikaseffect in de landbouw is 27%.

Koolstofdioxide (CO2) wordt uitgestoten door de afbraak van organische stoffen uit vegetatie en bodems, en door het verbranden van fossiele brandstoffen. In Vlaanderen is meer dan 85% van de CO2-uitstoot een direct gevolg van energiegebruik. De landbouw is verantwoordelijk voor ongeveer 3% van de CO2-uitstoot in Vlaanderen. De bijdrage van koolstofdioxide aan het broeikaseffect in de landbouw is 22%.

Bovendien heeft methaangas in tegenstelling tot andere broeikasgassen een zeer korte levensduur. Het is dus belangrijk om het fundamentele verschil in te zien tussen de uitstoot van methaangas en de uitstoot van CO2. Koolstofdioxide (CO2) blijft bijvoorbeeld duizenden jaren een impact hebben op het broeikaseffect. Broeikasgassen met een kortere levensduur zoals methaangas (12 jaar), zijn makkelijker onder controle te houden dan gassen met een lange levensduur.

Groen, blauw en grijs waterverbruik

Naast de koolstofvoetafdruk heeft ook de waterconsumptie een impact op hoe duurzaam een voedingsmiddel is. Vooral het waterverbruik per kilogram vlees is van groot belang: dit bevat het totale volume aan water dat gebruikt wordt om een product te ontwikkelen.

 

Vaak wordt gezegd dat 15.000 liter water nodig is per kilogram rundvlees. Deze cijfers zijn echter gebaseerd op de internationale gemiddelden: het is noodzakelijk om het waterverbruik per kilogram vlees in Vlaanderen te bekijken. In China gebruiken ze bijvoorbeeld dubbel zoveel water om veevoeder te telen als in België. Bovendien zit in dit cijfer ook zogenaamd groen water vervat. Dat is regenwater dat opgenomen wordt door planten en nadien door verdamping opnieuw in de atmosfeer terechtkomt. Dit proces zou ook plaatsvinden ongeacht veeteeltactiviteiten.

Het leeuwendeel van het water dat door de vleessector in Vlaanderen wordt verbruikt, is regenwater.

De watervoetafdruk is de optelsom van drie soorten water.

Groen water: al het regenwater dat een plant verbruikt om te groeien. Dit water, dat nodig is om voeding voor dieren te produceren, wordt ook mee in rekening gebracht voor het waterverbruik van vleesproductie. In Vlaanderen heeft groen water het grootste aandeel in de productie (90%). Het leeuwendeel van het water dat door de vleessector in Vlaanderen wordt verbruikt, is dus regenwater. Een groot deel van dat groene water dringt bovendien in de bodem, en voedt op die manier het grondwater.

Blauw water is dan weer het water dat uit de grond opgepompt wordt of aan de oppervlakte ontgonnen wordt. Ook deze groep water wordt geconsumeerd tijdens de levenscyclus. Het dient bijvoorbeeld als drinkwater voor de dieren en als schoonmaakwater voor de stallen.

De laatste groep is grijs water: dit is een virtuele hoeveelheid water die iets zegt over de impact op de waterkwaliteit tijdens de levenscyclus. Elke vorm van vervuiling met een impact op de waterkwaliteit (bestrijdingsmiddelen, mest, ammoniak…) wordt hierbij in rekening gebracht. Al het water dat nodig is om de concentratie van de vervuiling tot een aanvaardbaar niveau te verdunnen wordt hierbij opgeteld.

Ruimte

Vaak wordt gezegd dat de vleessector enorm veel vrije ruimte inneemt in vergelijking met de teelt van plantaardige voedingsmiddelen. Indien we het landgebruik van verschillende voedingsmiddelen per gewicht of per kilocalorie bekijken, nemen plantaardige voedingsmiddelen inderdaad minder ruimte in dan vleesproducten.

Vlees blijft echter een veel efficiëntere manier om essentiële aminozuren en micronutriënten op te nemen. Bij een vergelijking tussen de landinname door de teelt van voedingsmiddelen op basis van de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid aminozuren, nemen bonen en peulvruchten tot wel vijf keer meer land in dan rundvlees en varkensvlees, en tot wel tien keer meer land dan kippenvlees.

Vlam rund 8

Wereldwijd is 26% van de landbouwgrond niet geschikt om aan akkerbouw, groente- of fruitteelt te doen. Ook in Vlaanderen is dit het geval. Dit aandeel van de grond is dus grasland. Herkauwers zoals koeien, geiten en schapen kunnen deze gronden, die anders niet te benutten zijn, opwaarderen doordat ze gras kunnen omzetten in melk en vlees. Bovendien is de waarde van deze graslanden als opslagplaats voor CO2 erg hoog.

Ook om die reden is het belangrijk om de gronden als grasland te bewaren. De opslag van koolstofdioxide in graslanden en akkerlanden wordt momenteel echter onvoldoende verrekend in de klimaatboekhouding van de landbouwsector.

Veevoeder

Een veelgehoord argument is dat zelfs lokaal gekweekte vleesproducten niet duurzaam zijn, omdat veevoeder in grote mate geïmporteerd wordt. De productie van veevoeder zou bovendien veel ruimte innemen, er zou veel water voor nodig zijn, en het zou bijdragen aan een hogere uitstoot.

Heel wat landbouwers telen echter de voeding voor hun veestapel op hun eigen akkers, wat voor een lagere impact op het milieu zorgt. Naast de teelt hebben immers ook de import en het transport ervan een grote ecologische impact. Runderen in België krijgen echter hoofdzakelijk lokaal geteeld voer te eten. Boeren mengen gras, maïs, klaver en luzerne van de eigen akkers onder het veevoeder.

Beeld Boerenbond

Heel wat landbouwers telen de voeding voor hun veestapel op hun eigen akkers, wat voor een lagere impact op het milieu zorgt.

A0246

Daarnaast worden ook suikerbietenpulp uit de Vlaamse suikerindustrie en reststromen van de aardappelindustrie en de bierproductie gerecycleerd als voedergrondstoffen. In België is meer dan de helft van de grondstoffen voor mengvoeders een nevenproduct uit de voedingsindustrie of uit de biobrandstofsector. Aangezien deze grondstoffen ongeschikt zijn om bij menselijke consumptie in voldoende eiwitten te voorzien, zouden deze reststromen bij een volledig plantaardig eetpatroon onbenut blijven. Zodoende zou meer landbouwgrond nodig zijn om voldoende voedsel te produceren.

Ook mest wordt hergebruikt als bodembemester, en stalmest van rundvee draagt sterk bij aan de koolstofopslag in de bodem. Dit alles maakt de ecologische voetafdruk van veevoeder dus steeds kleiner.

Meer over duurzaamheid van vlees